Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 25-01-2008
Datum publicatie: 25-01-2008
Samenvatting
Artikel 15a, lid 1, aanhef en letter k, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001). Artikel 9 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965: geen overschrijding delegatiebevoegdheid door beperking van de grondslag van de 30%-regeling tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
Uitspraak
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 31 mei 2006 betreffende een door X B.V. (hierna: belanghebbende) op aangifte afgedragen bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Het geding in feitelijke instantie (Rechtbank en Gerechtshof)
Door belanghebbende is over het tijdvak april 2001 een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen op aangifte afgedragen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en teruggaaf gelast aan belanghebbende van een gedeelte van het bedrag aan afgedragen loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Geding in cassatie
De Minister heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
A was sinds 1 november 1996 als managementdirector in dienst bij belanghebbende. Bij brief van 8 april 1997 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat A voor zijn tewerkstelling bij belanghebbende voor de periode van 1 november 1996 tot en met 31 oktober 2006 in aanmerking kwam voor de 30%-regeling (en 35%-regeling voor 1 januari 2001).
Belanghebbende heeft per 31 maart 2001 het dienstverband met A beëindigd. Op grond van een op 30 maart 2001 tussen belanghebbende en A gesloten overeenkomst was belanghebbende ter zake van deze beëindiging een compensatie verschuldigd. Ter berekening van het nettobedrag van de compensatie zou volgens de overeenkomst rekening worden gehouden met de 30%-regeling.
Bij haar aangifte en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak april 2001 heeft belanghebbende voor wat betreft het bedrag van de compensatie geen rekening gehouden met de 30%-regeling. Het tegen deze afdracht gemaakte bezwaar is door de Inspecteur afgewezen.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende bij de berekening van het verschuldigde bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen over de aan A toegekende compensatie de 30%-regeling kan toepassen.
Het Hof heeft geoordeeld dat de besluitgever zijn delegatiebevoegdheid heeft overschreden door in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit als grondslag voor de belastingvrije vergoeding voor extraterritoriale kosten te nemen de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en de vergoeding voor extraterritoriale kosten. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit in zoverre onverbindend is en dat als grondslag voor de belastingvrije vergoeding voor extraterritoriale kosten het loon in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet heeft te gelden. Tegen laatstgenoemd oordeel richt zich het middel.
In onderdeel k van artikel 15a, lid 1, van de Wet is een delegatiebepaling opgenomen, inhoudende dat voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers, onder daarbij te stellen voorwaarden, kan worden bepaald dat vergoedingen van kosten van verblijf buiten het land van herkomst ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30 percent van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden.
Uit de in onderdeel 3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat een concept van de algemene maatregel van bestuur die op deze bepaling is gebaseerd tijdens de behandeling van het wetsvoorstel openbaar is gemaakt, zodat de Tweede Kamer kennis heeft kunnen nemen van de daarin op te nemen bepalingen. In artikel 9, lid 1, letter a, van dat conceptbesluit werd de grondslag van de 30%-regeling gedefinieerd als de som van het loon ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voor zover de ingekomen of uitgezonden werknemer terzake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten. In de nota van toelichting bij dat conceptbesluit werd vermeld dat de grondslag voor de vergoeding is de som van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten, en dat in dit verband als loon geldt de beloning voor het extraterritoriale werk gedurende de periode van extraterritoriale tewerkstelling; daarmee niet direct verband houdende betalingen, zoals pensioenuitkeringen en gouden handdrukken, behoren in dit verband dus niet tot het loon, aldus nog steeds de nota van toelichting bij het conceptbesluit.
Gelet op de omstandigheid dat de Tweede Kamer naar aanleiding van de tekst van artikel 9, lid 1, letter a, van het concept van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit en de toelichting daarop geen opmerkingen heeft gemaakt, heeft de wetgever de in artikel 15a, lid 1, letter k, van de Wet opgenomen clausule ‘onder daarbij te stellen voorwaarden’ kennelijk ook willen betrekken op de grondslag van de 30%-regeling.
Nu de tekst van laatstvermelde bepaling zich niet ertegen verzet die bepaling uit te leggen overeenkomstig deze bedoeling van de wetgever, heeft de besluitgever, anders dan het Hof heeft geoordeeld, zijn in die bepaling gegeven delegatiebevoegdheid niet overschreden door in artikel 9, lid 1, letter a, van het Uitvoeringsbesluit tot grondslag voor de belastingvrije vergoeding voor extraterritoriale kosten te nemen het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en niet het loon in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet.
Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep van de Minister gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof.
