Voor toepassing van de 30%-regeling is het noodzakelijk dat de werkgever het loon voor de loonbelasting aanwijst als eindheffingsbestanddeel en als zodanig in de loonadministratie verwerkt. Bij gebreke van deze aanwijzing kan de 30%-regeling niet alsnog in de belastingaangifte worden toegepast.

GERECHTSHOF DEN HAAG – Uitspraak van 30 juni 2021

Vaststaande feiten

Belanghebbende heeft de Deense nationaliteit. Hij is van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2015 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij Werkgever.

De belastingdienst heeft met dagtekening 24 februari 2012 aan belanghebbende voor de periode van 1 augustus 2011 tot en met 28 februari 2021 ter zake van de dienstbetrekking bij Werkgever een beschikking afgegeven voor de toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers.

Belanghebbende heeft van Werkgever in april 2015 een ‘retention bonus’, een uitbetaling van vakantiedagen en een beëindigingsvergoeding ontvangen en in mei 2015 een ‘cash incentive’. Belanghebbende heeft een ‘vervangende salarisspecificatie’ en een ‘nabetalingspecificatie’ overgelegd van Werkgever over de maand april 2015 respectievelijk mei 2015 waarin deze loonbestanddelen zijn opgenomen. Uit deze specificaties blijkt dat loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden (volgens de witte tabel) naar het bijzondere tarief van 52%.

Belanghebbende heeft op 21 september 2016 voor het jaar 2015 aangifte inkomstenbelasting gedaan. Ter zake van de Nederlandse looninkomsten heeft belanghebbende een loon van Werkgever aangegeven overeenkomend met het door de werkgever aan de fiscus gerenseigneerde loon en daarop een bedrag als “correctie 30%-regeling” in aftrek gebracht. Dit bedrag is 30% van het ontvangen bedrag aan loon in april 2015, exclusief de beëindigingsvergoeding en het ontvangen loon van mei 2015.

Bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2015 heeft de Inspecteur de aftrek “correctie 30%-regeling” in de belastingaangifte niet geaccepteerd.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Loon

Op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt onder loon verstaan, loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Op grond van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. In artikel 3.84, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat tot het loon niet behoren voordelen waarover de belasting op grond van artikel 31 of artikel 32ab in verbinding met artikel 31 van de Wet LB is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, de zogenoemde eindheffingsbestanddelen. Eindheffingsbestanddelen zijn op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB voor zover sprake is van tegenwoordige arbeid door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen en verstrekkingen (de zogenoemde werkkostenregeling). Een vergoeding voor extraterritoriale kosten kan op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB als eindheffingsbestanddeel worden aangemerkt, mits de vergoeding door de inhoudingspichtige als eindheffingsbestanddeel is aangewezen.

Niet in geschil is dat Werkgever op het aan eiser in de maanden april 2015 en mei 2015 uitgekeerde loon de 30%-regeling niet heeft toegepast en op dit loon loonheffing heeft ingehouden. Dit betekent dat Werkgever dit loon niet als eindheffingsbestanddeel heeft aangewezen. Dat eiser, naar hij heeft gesteld, schriftelijke afspraken met Werkgever over de toepassing van de 30%-regeling heeft gemaakt, maakt dit niet anders. Nu voor het loonbegrip in de inkomstenbelasting wordt aangesloten bij het loonbegrip voor de loonbelasting, werkt de keuze van Werkgever om het loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen door naar de inkomstenbelastingheffing van eiser en dient dit loon volledig in de inkomstenbelastingheffing te worden betrokken. Voor de door eiser voorgestane aftrek is op grond van de Wet IB 2001 geen plaats. Voor zover, naar eiser heeft gesteld, Werkgever onjuist heeft gehandeld en wel de 30%-regeling op het loon had moeten toepassen, kan dit eiser niet baten, nu dergelijke onjuistheden uitsluitend in de loonheffing door de inhoudingsplichtige middels correctieberichten kunnen worden hersteld. Een correctie op dit punt in de inkomstenbelasting is dus niet mogelijk. Het beroep van eiser op het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8932, faalt, nu dat arrest ziet op het jaar 2006. In dat jaar was de werkkostenregeling, zoals deze geldt in het jaar 2015, nog niet in werking getreden. Eindheffingsbestanddelen hoefden in 2006, anders dan voor het jaar 2015 het geval is, niet door de inhoudingsplichtige te worden aangewezen. De onderhavige situatie is dan ook niet vergelijkbaar met de situatie in vorengenoemd arrest, zodat vorengenoemd arrest hier niet van toepassing is.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op de door hem in de aangifte IB/PVV 2015 toegepaste aftrek (“correctie 30%-regeling”).

Beoordeling van het hoger beroep

Op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001 wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Op grond van artikel 10 Wet LB 1964 is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. In artikel 3.84, lid 1, Wet IB 2001 is – voor zover hier van belang – bepaald dat tot het loon niet behoren voordelen waarover de belasting op grond van artikel 31 Wet LB 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige; de zogenoemde eindheffingsbestanddelen. Eindheffingsbestanddelen zijn op grond van artikel 31, lid 1, aanhef en letter f, Wet LB 1964 door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen en verstrekkingen (de zogenoemde werkkostenregeling). Een vergoeding voor extraterritoriale kosten kan op grond van artikel 31a, lid 2, aanhef en letter e, Wet LB 1964 als een ‘gerichte vrijstelling’ als eindheffingsbestanddeel worden aangemerkt, mits de vergoeding door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel is aangewezen.

Tussen partijen is in geschil of de aan belanghebbende verstrekte vergoedingen zijn ‘aangewezen’ in de zin van voornoemde bepalingen van de Wet LB 1964. Het Hof stelt vast dat Werkgever blijkens de genoemde specificaties aan belanghebbende een ‘retention bonus’, een uitbetaling van vakantiegeld en een ‘cash incentive’ heeft verstrekt en daarop 52% loonheffing heeft ingehouden. Uit deze specificaties blijkt niet dat Werkgever een of meer dan wel een gedeelte van deze loonbestanddelen heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Daarvoor is niet voldoende dat – zoals belanghebbende stelt – in de arbeidsovereenkomst met de werkgever schriftelijk afspraken zijn gemaakt over de toepassing van de 30%-regeling, en de werkgever ook beschikt over een beschikking 30%-regeling voor ingekomen werknemers. De aanwijzing van een gerichte vrijstelling als eindheffingsbestanddeel is namelijk alleen dan voltooid als daarmee rekening wordt gehouden bij de uitbetaling van het loon en deze als zodanig op individueel niveau is verwerkt in de loonadministratie. Daarmee komen immers pas de aard en omvang van de gerichte vrijstelling, de omvang van het loon en de daarover verschuldigde belasting vast te staan.

Belanghebbende heeft, gelet op het vorenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat de hiervóór genoemde loonbestanddelen geheel dan wel ten dele als eindheffingsbestanddeel zijn aangewezen.

Aangezien voor het loonbegrip in de inkomstenbelasting op grond van artikel 3.81 en 3.84 Wet IB 2001 wordt aangesloten bij het loonbegrip voor de loonbelasting, werkt de keuze van Werkgever om de loonbestanddelen niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken door naar de inkomstenbelasting. Deze loonbestanddelen dienen dan ook volledig in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken. De verwijzing door belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8932, BNB 2012/232, treft geen doel. Dat arrest ziet immers op een jaar waarin de werkkostenregeling nog niet van toepassing was en eindheffingsbestanddelen nog niet behoefden te worden aangewezen.

Zoals de Rechtbank terecht heeft opgemerkt, had belanghebbende zich tot Werkgever kunnen wenden om aanwijzing van de loonbestanddelen als eindheffingsbestanddeel alsnog te bewerkstelligen. Werkgever had de 30%-regeling immers alsnog met behulp van correctieberichten kunnen toepassen. Zoals de Inspecteur ter zitting heeft bevestigd, had belanghebbende ook bezwaar kunnen maken tegen de inhouding van loonbelasting over de tijdvakken april en mei 2015. Dat is echter allemaal niet geschied.

Het Hof komt tot de conclusie dat toepassing van de 30%-regeling in de aangifte inkomstenbelasting niet mogelijk is.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Opmerking

Het is dus niet mogelijk om de 30% regeling in de aangifte inkomstenbelasting te claimen. Deze vraag wordt vaak gesteld als de regeling wordt toegekend met terugwerkende kracht na afloop van een kalenderjaar. De werkgever heeft dan mogelijk de salarisadministratie afgesloten en is in uitzonderlijke gevallen huiverig om de salarisadministratie open te breken voor de betreffende werknemer. Zoals de Rechtbank en het Gerechtshof terecht stellen is het echter zeer wel mogelijk om via een correctiebericht alsnog de 30% regeling toe te passen waardoor een teruggave van ingehouden loonheffing kan worden bewerkstelligd. Dit is echt een standaardmethode. Voor de werknemer is het heel belangrijk dat de regeling over al het genoten loon wordt berekend in de salarisadministratie.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *